Gewoon gebruik, dagelijkse risico's
Er is structureel iets mis met ChatGPT. Om dat in te zien hebben we in principe geen exces zoals een schietpartij of een zelfdoding nodig, al vormen ze wel een aanleiding. Ik zie op hoofdlijnen twee manieren waarop het scheef gaat.
De eerste is een privacyprobleem. Sensitieve data vormde eind 2025 ongeveer vijfendertig procent van wat werknemers aan ChatGPT toevertrouwen, een stijging vanaf elf procent in 2023. ChatGPT was verantwoordelijk voor eenenzeventig procent van alle data-blootstelling bij generatieve AI-tools, terwijl het product maar vierenveertig procent van het totale gebruik uitmaakte. Dat is niet uitsluitend onvoorzichtigheid van de gebruiker. Begin 2026 vonden onderzoekers van Check Point een lek waarbij één kwaadaardige prompt een gewoon chatgesprek omzette in een verborgen exfiltratiekanaal, buiten de veiligheidscontroles van het model om, waardoor gevoelige gegevens konden worden weggesluisd. OpenAI repareerde het op 20 februari 2026. Naar Nederlands recht is dit precies waar de AVG grip op hoort te hebben: een datalek is niet alleen een inbraak van buitenaf, het is elke onbedoelde blootstelling van persoonsgegevens.
Er zit nog een andere juridische laag onder dit lek, die verderop in dit drieluik terugkeert: onder de herziene productaansprakelijkheidsrichtlijn geldt het niet tijdig verhelpen van een bekende cyberkwetsbaarheid als een zelfstandige gebrekstrigger, los van de privacyvraag. Hoelang OpenAI al op de hoogte was voordat de reparatie op 20 februari 2026 volgde, is daarmee niet alleen een AVG-kwestie maar ook een productaansprakelijkheidsvraag.
De tweede is een risico dat in het gedrag van het systeem zelf zit: wat het adviseert, aanmoedigt of toelaat wanneer een gebruiker kwetsbaar is. Dat risico is in gewoon, dagelijks gebruik nauwelijks zichtbaar, omdat het zelden een aanwijsbaar slachtoffer oplevert, totdat dat wel gebeurt. Florida, Tumbler Ridge en andere zaken verderop in dit artikel zijn excessen die dat risico wel zichtbaar maken.
Er lijkt geen acuut gevaar voor de gemiddelde Nederlandse gebruiker die rond deze tijd een vraag aan ChatGPT stelt. Er is echter wel een structureel probleem dat meegroeit met het product, in een sector waarin de financiële belangen inmiddels zo groot zijn geworden dat ze de prikkel om problemen te verhelpen eerder verzwakken dan versterken. OpenAI's waardering van meer dan achthonderdvijftig miljard dollar is opgebouwd op een groeicurve die sneller gaat dan het tempo waarin veiligheidswaarborgen worden bijgehouden, dat lezen we met regelmaat terug in de media, het is een scheefgroei die in de zaken in dit drieluik telkens terugkeert.
De vraag komt vanzelf op wie voor beide risico's aansprakelijk is. In de Verenigde Staten wordt dat zaak voor zaak in de rechtszaal uitgevochten. In Nederland liggen de instrumenten er grotendeels al, alleen zijn ze tegen een AI-aanbieder nog niet beproefd. Dat is het onderwerp van deze reeks artikelen.
Product of content
Sinds augustus 2025 loopt er in de Verenigde Staten een dossier van civiele vorderingen tegen OpenAI dat inmiddels uit bijna twintig zaken bestaat, plus een statelijke handhavingsactie en een strafrechtelijk onderzoek. Elke zaak in dat dossier loopt vast op dezelfde voorvraag: is ChatGPT, als systeem, een product in de zin van het productaansprakelijkheidsrecht, of is de output ervan content, beschermde uiting?
Wordt ChatGPT als product gekwalificeerd, dan telt een schadelijk antwoord als bewijs van een ontwerpgebrek. Een insulinepomp die op basis van een intern algoritme telkens een andere dosis berekent, is een preciezere vergelijking dan een fysiek onderdeel zoals een rem: een verkeerde dosis in een specifiek geval is geen zelfstandig, geïsoleerd falen, maar bewijs van een gebrek in het doseeralgoritme van het apparaat als geheel. Wordt de output als content gekwalificeerd, dan komt zij in de sfeer van Section 230 van de Communications Decency Act, de wet die platforms beschermt tegen aansprakelijkheid voor wat gebruikers via hen uiten. OpenAI voert dat verweer in vrijwel elke zaak. Eén federale rechter wees het in een vergelijkbare zaak tegen Character.AI al af op het niveau van de motion to dismiss, zonder dat dit bindend is voor de OpenAI-zaken zelf.
Voor de Nederlandse en Europese lezer is relevant dat deze vraag hier al beantwoord is. De herziene EU-productaansprakelijkheidsrichtlijn brengt software en AI-systemen expliciet onder het productbegrip. Waar Amerikaanse rechters de kwalificatievraag per zaak moeten uitvechten, heeft de Europese wetgever haar bij voorbaat beslecht. Een Nederlandse eiser hoeft die horde, voor toekomstige schade althans, niet te nemen.
De Nederlandse omzetting loopt via de Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid, die vooral Boek 6 BW wijzigt. De consultatie sloot op 22 mei 2025, de Ministerraad stemde op 10 oktober 2025 in, en het wetsvoorstel ligt nu voor advies bij de Raad van State.
Andere aanbieders
Het dossier is niet tot OpenAI beperkt. Character.AI en Google schikten in januari 2026 vijf zaken in Florida, Colorado, New York en Texas, onder meer over de zelfdoding van de veertienjarige Sewell Setzer. Geen van beide partijen erkende aansprakelijkheid en de schikkingsvoorwaarden zijn niet openbaar gemaakt. Meta kreeg begin 2026 een aparte vordering, aangespannen door de Mexicaanse procureur-generaal, over de vraag of minderjarigen toegang konden krijgen tot AI-chatbots met seksuele interactiemogelijkheden, met interne documenten waaruit bleek dat eigen medewerkers daar al eerder voor hadden gewaarschuwd.
Dat is meer dan een parallelle reeks incidenten. De uitspraak in Garcia v. Character Technologies wordt inmiddels door eisers in de OpenAI-zaken actief aangehaald. Een precedent tegen de ene aanbieder wordt zo bruikbaar tegen de volgende. De vraag of AI-output product of content is, wordt sectorbreed uitgevochten, bedrijf voor bedrijf, in plaats van in één keer beslist.
Aanbieders die op een ander model bouwen
Een verdere complicatie ontstaat wanneer een product niet zelf een taalmodel bouwt, maar het model van een ander gebruikt. Perplexity is hiervan een voorbeeld: de gebruiker kiest een modus, en het antwoord kan afkomstig zijn van een model van een derde partij, aangevuld met eigen zoek- en verwerkingslogica. Wie is dan aanspreekbaar als dat antwoord schade veroorzaakt, de partij die het onderliggende model bouwde, of de partij die het inpakte?
Naar Europees productaansprakelijkheidsrecht kunnen beide partijen aanspreekbaar zijn. De herziene richtlijn behoudt en verduidelijkt de figuur van de onderdeelfabrikant: waar een gebrekkig onderdeel, waaronder uitdrukkelijk een geïntegreerd AI-systeem, schade veroorzaakt, kan de benadeelde in beginsel zowel de fabrikant van het eindproduct als de fabrikant van het gebrekkige onderdeel aanspreken, doorgaans hoofdelijk, met onderling regres tussen beide partijen.
De AI Act bevestigt diezelfde gelaagdheid, nu publiekrechtelijk. Een partij die enkel een API aanroept en de output ongewijzigd doorgeeft, geldt doorgaans als gebruiksverantwoordelijke van het onderliggende model. Zodra die partij er een product omheen bouwt, met een eigen interface, eigen sturingslogica of een eigen moduskeuze, wordt zij aanbieder van haar eigen AI-systeem, met eigen verplichtingen die naast die van de onderliggende modelaanbieder gelden, niet in plaats daarvan. Een aanbieder die op andermans model bouwt, kan zich dus niet achter die ander verschuilen, en die ander kan zich evenmin volledig achter de wrapper verschuilen.
Risico van bouwen op één model
Voor een bedrijf dat overweegt zijn eigen dienstverlening te bouwen op een taalmodel van een derde partij, speelt naast de aansprakelijkheidsvraag een andere, meer praktische vraag: wat gebeurt er met het eigen product als de onderliggende leverancier in de problemen komt?
Dat risico is niet hypothetisch. OpenAI's waardering van meer dan achthonderdvijftig miljard dollar staat tegenover een dossier van bijna twintig civiele vorderingen, een statelijke handhavingsactie en een strafrechtelijk onderzoek, gelijktijdig lopend. Wat er met het model gebeurt als een van die zaken tot een voor OpenAI ongunstige uitkomst leidt, ligt niet in de hand van een bedrijf dat op dat model vertrouwt. Denkbare gevolgen lopen uiteen: strengere filters die legitieme zakelijke toepassingen belemmeren, hogere kosten om het aanbod verzekerbaar te houden, een verplichte aanpassing van het model voor een specifieke markt, of in het uiterste geval een tijdelijke blokkade zoals de Italiaanse Garante die in 2023 al oplegde voor de gehele Europese markt.
In de financiële sector bestaat hiervoor al een begrip, modelrisico: een bank die voor kredietbeoordeling op een extern model vertrouwt, moet aantoonbaar begrijpen hoe dat model werkt en wat er gebeurt als het faalt. Voor AI-leveranciers bestaat een vergelijkbaar kader nog nauwelijks. Een bedrijf dat zijn kernproduct volledig op één model bouwt, zonder uitwijkmogelijkheid naar een ander model of een andere aanbieder, draagt daarmee een concentratierisico dat los staat van de vraag of het zelf iets verkeerd heeft gedaan.
Dat risico wordt in de praktijk zelden gedekt door het contract met de AI-leverancier zelf. Standaardvoorwaarden van AI-aanbieders beperken hun eigen aansprakelijkheid vaak tot het bedrag van de betaalde licentiekosten, een bedrag dat in geen verhouding staat tot de schade die een bedrijf kan lijden als zijn kernproduct om een gebrekkig of tijdelijk geblokkeerd model heen is gebouwd. Wie zijn dienstverlening op één AI-model bouwt, doet er daarom goed aan expliciet te onderhandelen over aansprakelijkheid bij aantoonbare fouten, in plaats van de standaardvoorwaarden klakkeloos te accepteren.
Privaatrecht
Twee gescheiden sporen lopen momenteel door het Amerikaanse privaatrecht tegen OpenAI, elk met een eigen rechtbank en een eigen soort zaak.
Het eerste spoor loopt bij de San Francisco County Superior Court, een Californische staatsrechtbank. Daar diende het echtpaar Raine op 26 augustus 2025 de fundamentele zaak in, over de zelfdoding van hun zestienjarige zoon Adam na maandenlange gesprekken met ChatGPT. De vordering steunt op Californisch productaansprakelijkheidsrecht en op OpenAI's eigen moderatiedata: het systeem had 377 berichten van de jongen gemarkeerd voor zelfbeschadigingsinhoud, zonder dat daar ooit een interventie op volgde. In een aangepaste dagvaarding van oktober 2025 stellen de Raines dat interne documenten laten zien dat OpenAI in de weken en maanden voor Adams dood bewust bestaande veiligheidsprotocollen afbouwde. Op 3 februari 2026 bundelde dezelfde rechtbank ruim een dozijn vergelijkbare zaken in één coördinatieprocedure, In re: ChatGPT Product Liability Cases, JCCP nr. 5431. Volgens de advocaten van de eisers loopt het totaal inmiddels op tot ongeveer negentien vorderingen wegens dood door schuld, een schatting van de eisende partij, geen door de rechtbank bevestigd aantal.
Het tweede spoor betreft zaken van massageweld en loopt, voor zover bekend, via de federale rechter, los van de Californische staatscoördinatie. Hierin valt de zaak die voor de Nederlandse en Europese discussie het zwaarst weegt. OpenAI bande in juni 2025 het ChatGPT-account van Jesse Van Rootselaar, na interne signalen die op geweld wezen, en besloot de politie niet te informeren. Op 10 februari 2026 doodde Van Rootselaar acht mensen in Tumbler Ridge, British Columbia, onder wie zes kinderen op haar voormalige middelbare school. Achteraf bleek OpenAI ook een tweede, aan haar gelinkt account te hebben gevonden. Op 23 april 2026 bood Sam Altman publiekelijk excuses aan.
Beide sporen delen hetzelfde structurele verweer dat OpenAI publiekelijk voert: het beroep op eigen disclaimers en gebruiksvoorwaarden. Dat verweer heeft weinig overtuigingskracht, om verschillende redenen. Het bindt alleen de partij die de voorwaarden accepteerde; de slachtoffers van Tumbler Ridge en de FSU-schietpartij waren zelf geen ChatGPT-gebruikers en hebben nooit een disclaimer gezien. Het heft bovendien geen zorgplicht op zodra er specifieke, feitelijke kennis van gevaar bestaat, precies de situatie in Raine en Tumbler Ridge. En publieke veiligheidsclaims ondermijnen een disclaimer die elders in de voorwaarden staat.
Publiekrecht
Naast de individuele vorderingen staat één zaak die niet om individuele schade draait. Op 1 juni 2026 diende de staat Florida bij de Highlands County Circuit Court een civiele vordering in tegen OpenAI en CEO Sam Altman persoonlijk, 83 pagina's lang, met tien aanklachten: vier wegens misleidende handelspraktijken onder de Florida Deceptive and Unfair Trade Practices Act, twee wegens nalatigheid, twee wegens productaansprakelijkheid, een wegens frauduleuze misrepresentatie (verkeerde voorstelling van zaken) en een wegens publieke hinder.
Florida procedeert namens het publiek belang, op het patroon van misleidende communicatie over de veiligheid van het product zelf. Of een individuele gebruiker de output heeft opgevolgd, doet voor die vraag niet ter zake. De Raine-vordering wijst zelf op de waardesprong van OpenAI van zesentachtig naar driehonderd miljard dollar rond mei 2024. Inmiddels staat de waardering, na een kapitaalronde van honderdtweeëntwintig miljard dollar afgerond op 31 maart 2026, op achthonderdtweeënvijftig miljard dollar.
Wat Florida vordert
Florida vraagt de rechter niet alleen om vast te stellen dat OpenAI de wet overtrad, maar om drie soorten maatregelen tegelijk. Een verklaring voor recht dat de FDUTPA is geschonden. Een permanent verbod: OpenAI mag geen data van kinderen onder de dertien meer verzamelen zonder verifieerbare ouderlijke toestemming, en mag de risico's van ChatGPT niet langer verkeerd voorstellen of verzwijgen. En financiële genoegdoening, boetes tot 10.000 dollar per overtreding, alle beschikbare schadevergoeding inclusief drievoudige en punitieve bedragen, afdracht van winst, en proceskosten. Uthmeier noemde zelf een mogelijk totaal van miljarden dollars, naast een jury trial en persoonlijke aansprakelijkheid van Altman.
Onderzoek in 42 staten
Florida staat vooralsnog alleen als staat die daadwerkelijk een rechtszaak aanspande, maar niet als enige staat die in actie kwam. Op 12 juni 2026 vaardigde een coalitie van tweeënveertig attorneys general, aangevoerd door New York, een gezamenlijke dagvaarding tot informatieverstrekking uit aan OpenAI, met vragen over advertentiepraktijken, gebruikersbetrokkenheid en retentie, de omgang met consumenten- en gezondheidsdata, activiteiten gericht op minderjarigen en ouderen, de onderliggende modellen, sycofantisch modelgedrag (het naar de mond praten, de vleierij naar de gebruiker), en intern bedrijfsbeleid. Die actie kwam vier dagen nadat OpenAI vertrouwelijk een beursgang had aangevraagd, een timing die weinig aan het toeval overlaat. OpenAI beloofde publiekelijk "constructief" met de betrokken kantoren samen te werken en wees op recent toegevoegde ouderlijke controles.
Dit onderzoek is geen rechtszaak en geen van de tweeënveertig staten heeft tot nu toe zelf een dagvaarding ingediend. Maar in schaal overtreft deze coalitie Florida's individuele vordering ruimschoots. Bijna een volledige meerderheid van de Amerikaanse staten onderzoekt OpenAI inmiddels formeel, wat het beeld van een uitsluitend terughoudende federale overheid tegenover één daadkrachtige staat bijstelt: het is eerder een brede, groeiende statelijke beweging waarvan Florida vooralsnog de voorhoede vormt.
Federale rechter
Op 2 juli 2026 diende OpenAI een verzoek in om de zaak over te hevelen naar de federale rechter, met als argument dat de vordering deels steunt op de federale Children's Online Privacy Protection Act. De zaak kwam door loting terecht bij rechter Aileen Cannon in Fort Pierce, dezelfde rechter die eerder de strafzaak tegen Donald Trump over de omgang met geheime documenten seponeerde, wat de toewijzing meteen landelijke aandacht gaf. Florida vroeg vervolgens om terugverwijzing naar de staatsrechtbank, met het argument dat de vordering op Florida-recht steunt en ten onrechte is overgeheveld; een uitspraak daarover ontbreekt nog. Beide partijen hebben zwaar geschut ingezet. Florida werkt samen met Keller Postman, een kantoor met ervaring in massaschadezaken tegen techbedrijven, terwijl OpenAI en Altman zich laten bijstaan door Gunster, met litigators met banden met het politieke establishment van de staat, aangevuld met Brad Bondi, de broer van voormalig Attorney General Pam Bondi.
Het Nederlandse en Europese equivalent
Vertaald naar het Nederlandse en Europese sanctiestelsel oogt dat anders. De Amerikaanse figuur van civil penalties, een boete per overtreding die de staat zelf vordert binnen een civiele procedure en die kan oplopen tot miljarden, bestaat hier niet als civielrechtelijke figuur. Dat punitieve element leeft in Nederland uitsluitend in het bestuursrecht, gevorderd door een toezichthouder, niet door een gedupeerde of een staat als civiele eiser. Onder de AVG kan een boete oplopen tot twintig miljoen euro of vier procent van de wereldwijde jaaromzet, onder de AI Act voor de zwaarste overtredingen tot vijfendertig miljoen euro of zeven procent, onder de DSA tot zes procent, zoals bij AliExpress toegepast, en onder de Wet oneerlijke handelspraktijken, gehandhaafd door de ACM, tot 900.000 euro of een hoger percentage bij herhaling. Al dat geld gaat naar de staat of de EU-begroting, niet naar gedupeerden. Voor gedupeerden zelf loopt de route via schadevergoeding, niet via een boete; hoe dat in de praktijk zou werken, komt verderop aan de orde.
Strafrecht
Los van de civiele vordering liep sinds eind april 2026 een strafrechtelijk onderzoek van Attorney General Uthmeier naar OpenAI, naar aanleiding van de FSU-schietpartij. Dat onderzoek is nog niet uitgemond in een vervolging en staat volledig los van de civiele staatsvordering. Hoe een vergelijkbare zaak zich naar Nederlands strafrecht zou verhouden, is het onderwerp van deel 2 van dit drieluik.
Realistisch bekeken is de drempel voor een daadwerkelijke veroordeling van het bedrijf zelf hoog, ook in de Verenigde Staten: er bestaat geen precedent van een techbedrijf dat strafrechtelijk werd veroordeeld voor het faciliteren van een geweldsdelict door een gebruiker. Voor Nederland geldt dat nog scherper. Zolang een aanbieder enige vorm van filters of guardrails heeft ingebouwd, hoe onvolkomen ook, zal een officier van justitie moeilijk voorwaardelijk opzet op het faciliteren van een misdrijf kunnen bewijzen. Realistischer aangrijpingspunt ligt bij datagerelateerde delicten, wanneer aantoonbaar is dat een aanbieder welbewust en verholen illegale datapraktijken voerde. Ook dat blijft een exercitie, geen vaststaand oordeel, en wordt in deel 2 verder uitgewerkt.
Wat dit voor Nederland betekent
Twee grondslagen zijn hier nu al bruikbaar. Een collectieve bundeling is geen derde grondslag, maar een bundelingsvorm die op een van de twee moet steunen.
De eerste is het onrechtmatige-daadsrecht van artikel 6:162 BW, met gevaarzetting als zwaardere toepassing voor gevallen waarin een aanbieder een gekend gevaar liet voortbestaan zonder te handelen, zoals bij Tumbler Ridge. De maatstaf daarvoor gaat terug op het Kelderluik-arrest uit 1965, waarin de Hoge Raad vier gezichtspunten formuleerde om te beoordelen of een gevaarlijke situatie voorzorg vereiste: hoe waarschijnlijk is onoplettendheid van betrokkenen, hoe groot is de kans op ongevallen als die onoplettendheid zich voordoet, hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn, en hoe bezwaarlijk zijn de te nemen voorzorgsmaatregelen. Toegepast op een systeem dat zelf al had gedetecteerd dat een account een gevaar vormde, zoals bij Tumbler Ridge, wijzen alle vier de gezichtspunten dezelfde kant op: de onoplettendheid was door OpenAI zelf al vastgesteld, de mogelijke gevolgen waren ernstig, en een melding aan de politie was geen bezwaarlijke maatregel.
De tweede grondslag is de AVG, met een individuele schadevergoedingsroute via artikel 82, los van het commune recht.
Beide grondslagen kampen met hetzelfde bewijsprobleem dat de ingetrokken AI-aansprakelijkheidsrichtlijn had moeten verlichten. Het Nederlandse procesrecht biedt hier gedeeltelijk een eigen antwoord. De verzwaarde stelplicht, ontwikkeld in de medische aansprakelijkheidsrechtspraak voor situaties van informatieasymmetrie, kan een rechter ertoe brengen van de aanbieder te verlangen zijn verweer gedetailleerd te onderbouwen wanneer alleen hij toegang heeft tot relevante gegevens, zoals interne moderatielogs. De omkeringsregel, die onder omstandigheden het bewijsvermoeden van causaliteit verschuift bij schending van een specifieke beschermingsnorm, is door de Hoge Raad de afgelopen jaren aanmerkelijk ingeperkt en dus minder robuust dan de bewijslastverlichting die de AILD had moeten bieden, maar in beginsel niet uitgesloten.
Een collectieve bundeling via de WAMCA is tegen een AI-aanbieder nog niet beproefd. De Nederlandse rechter is via de Brussel I bis-verordening in beginsel bevoegd, ook tegenover een buitenlandse aanbieder als OpenAI, en de arbitrageclausules die claims naar de Verenigde Staten proberen te verplaatsen, zijn voor Europese consumenten doorgaans onredelijk bezwarend en dus vernietigbaar. Waarom deze grondslagen tegen een AI-aanbieder tot nu toe onbeproefd blijven, en welke voorbeelden er ondanks dat al wel bestaan, komt in deel 3 aan bod.
Overwegingen
Human-in-the-loop heeft grenzen, ook bij professioneel gebruik
Bij consumentengebruik faalt het human-in-the-loop-verweer vaak omdat de gebruiker zelf kwetsbaar was of omdat het systeem diens kritisch vermogen ondermijnde. Bij zuiver professioneel gebruik ligt dat anders: een professional heeft een eigen zorgplicht en een verplichting om te verifiëren, wat het risico grotendeels naar de professional zelf verschuift, zoals de Nederlandse tuchtrechtspraak al laat zien bij advocaten die verzonnen jurisprudentie overnamen. De grens ligt echter niet bij professioneel gebruik als zodanig, maar bij vier omstandigheden die de aanbieder alsnog verantwoordelijk houden: een gebrek dat ook met normale vakkundige zorg niet ontdekbaar was, specifieke kennis van een verhoogd risico die de aanbieder niet deelde, een product dat zich expliciet als geschikt voor professioneel gebruik presenteerde, en een ontwerp dat verificatie in de praktijk ontmoedigt. Geen van de zaken in het huidige dossier is een zuivere B2B-zaak; deze grens is in de AI-rechtspraak dus nog nergens getest.
Schadesoort als blinde vlek
De herziene EU-productaansprakelijkheidsrichtlijn dekt vooral fysieke schade en zaakschade. De meest voorkomende schade bij ChatGPT-gebruik is van een ander type: financieel verlies door foutief advies, reputatieschade, privacyschade. Voor die schadesoorten blijft het commune onrechtmatige-daadsrecht over.
Een ingetrokken instrument
Naast de productaansprakelijkheidsrichtlijn lag er een gerichter voorstel op tafel: de AI-aansprakelijkheidsrichtlijn, die slachtoffers een weerlegbaar vermoeden van causaliteit zou hebben gegeven. De Europese Commissie trok het voorstel in februari 2025 terug en bekrachtigde dat in oktober 2025, na druk vanuit de technologiesector. Er bestaat wel een derde, nog actief EU-instrument dat in dit dossier weinig aandacht krijgt. De Europese Commissie classificeerde ChatGPT onder de Digital Services Act als zeer grote online zoekmachine, omdat het platform in 2025 ruim 120 miljoen actieve Europese gebruikers had, ruim boven de drempel van 45 miljoen. Die status verplicht OpenAI tot transparantie over onder meer advertentiepraktijken en dwingt het bedrijf risico's voor de geestelijke en fysieke gezondheid van gebruikers te adresseren, gehandhaafd rechtstreeks door de Commissie. Een concrete handhavingsactie tegen OpenAI op deze grondslag is er nog niet, maar het instrument staat er, en is, anders dan de AVG-handhaving door de AP, niet afhankelijk van een onderbezette nationale toezichthouder.
Doorwerking van een Amerikaans oordeel
Een formele vaststelling in Florida dat ChatGPT een gebrekkig product is, bindt juridisch alleen Florida. De praktische doorwerking gaat verder. Binnen de Verenigde Staten functioneert zo'n uitspraak als bellwether: andere eisers gebruiken haar als overtuigingsmateriaal, verzekeraars herzien D&O-polissen voor AI-aanbieders, en bedrijven schikken doorgaans de rest van een vergelijkbaar dossier eerder dan het risico van herhaling te lopen, het patroon dat eerder bij tabak, asbest en opioïden speelde.
Een Amerikaans vonnis heeft geen rechtstreekse werking in de EU. Europese rechters erkennen buitenlandse vonnissen niet automatisch, en het punitieve element dat in Amerikaanse zaken meespeelt, geldt in de meeste lidstaten als strijdig met de openbare orde. Drie indirecte kanalen blijven over: het bewijs dat via Amerikaanse discovery boven water komt, kan ook in een Europese procedure worden ingebracht; een formele vaststelling van gevaarlijkheid versterkt de positie van een Europese toezichthouder die al aarzelend beweegt; en Europese rechters kunnen, zonder daartoe verplicht te zijn, kijken naar hoe een vergelijkbare rechtsvraag elders is beantwoord.
Het meest tastbare effect voor de Nederlandse gebruiker loopt niet via het recht maar via het product zelf. Past OpenAI zijn systeem wereldwijd aan om Amerikaanse aansprakelijkheid te beperken, dan verandert daarmee ook de ervaring van een Nederlandse gebruiker, zonder dat in Nederland ooit een zaak is gevoerd, net zoals de aanpassingen die de Italiaanse Garante afdwong voor de hele Europese markt al golden.
Tot slot
De vijfendertig procent gevoelige data die eind 2025 dagelijks in ChatGPT terechtkwam, de bewezen exfiltratiekwetsbaarheden, de bijna twintig civiele vorderingen die inmiddels in Californië zijn gecoördineerd: niets daarvan wachtte op Florida of Tumbler Ridge om te bestaan.
Nederland heeft twee grondslagen die nu al bruikbaar zijn, onrechtmatige daad en de AVG, en hoeft, voor toekomstige schade althans, niet eerst uit te vechten of ChatGPT als product geldt. Die vraag is hier al beantwoord. Deel 2 van dit drieluik onderzoekt wat er gebeurt zodra het strafrecht in beeld komt. Deel 3 kijkt naar de vraag waarom deze grondslagen in de praktijk zo zelden worden ingezet, en naar de voorbeelden die er, ondanks dat, wel al zijn.
Deel 2 en 3 verschijnen spoedig. Deel 1 kan nog wijzigingen ondergaan. Keer regelmatig terug of houdt onze LinkedIn-pagina in de gaten