Beyond reasonable doubt - Zonder gerede twijfel
Florida onderzoekt OpenAI sinds april 2026 ook strafrechtelijk, los van de civiele vordering die in juni volgde. Die combinatie bracht mij ertoe ook voor dit drieluik de strafrechtelijke kant apart uit te werken, iets wat ik eerder al deed in een Nederlandse zaak over onrechtmatige gegevensverwerking onder de AVG, waar naast de bestuursrechtelijke en civiele route ook de strafrechtelijke haalbaarheid ter sprake kwam, en even weerbarstig bleek.
ChatGPT is geen rechtssubject en kan niet terechtstaan. Vervolgbaar zijn alleen OpenAI als rechtspersoon en, onder omstandigheden, Sam Altman als bestuurder. Dat bepaalt de inzet van dit deel: niet of ChatGPT gevaarlijk is, dat stond in deel 1 centraal, maar of daarmee een misdrijf is gepleegd, en wat een vergelijkbaar onderzoek naar Nederlands recht zou opleveren.
Twee Amerikaanse zaken maken zichtbaar waarom straf- en civiel recht uiteen kunnen lopen. O.J. Simpson werd in 1995 strafrechtelijk vrijgesproken van moord, bewijs buiten redelijke twijfel ontbrak, en een jaar later civiel aansprakelijk gehouden voor dezelfde dood, waar een overwicht van bewijs volstond. Beide zaken speelden in Californische staatsrechtbanken. Theranos-oprichter Elizabeth Holmes laat het omgekeerde zien: zowel de SEC, civiel geschikt in 2018, als de federale strafrechter, veroordeling in 2022 tot ruim elf jaar cel, hielden haar aansprakelijk voor hetzelfde verwijt, het publiekelijk voorstellen van een technologie als betrouwbaar terwijl intern bekend was dat zij niet deugde. De elf aanklachten waarover de jury zich boog, vielen uiteen in twee soorten: fraude jegens investeerders en fraude jegens patiënten. Veelzeggend: alleen de aanklachten over benadeling van patiënten, het dichtst bij fysieke schade, leidden tot vrijspraak; de investeerdersfraude bleef overeind. Beide Holmes-zaken liepen bovendien federaal, anders dan bij Simpson.
Florida wijkt van beide af. De civiele vordering ligt inmiddels bij de federale rechter, na overheveling in juli 2026, terwijl het strafrechtelijk onderzoek van Uthmeier vermoedelijk staatsrechtelijk blijft, een bevoegdheid die in beginsel is beperkt tot Florida-recht. Een derde configuratie dus, niet eerder gezien in de twee vergelijkingszaken. Of het onderzoek naar OpenAI ooit tot een tenlastelegging leidt, staat nog volledig open.
Een kanttekening vooraf, geldig voor de rest van dit deel: ik ben geen strafrechtspecialist. Waar Nederlandse strafbepalingen hierna op een hypothetische AI-casus worden toegepast, is dat uitdrukkelijk een juridische exercitie, geen vaststaand oordeel.
Wanneer wordt software een strafzaak
Softwarefouten worden van oudsher via het civiele recht afgehandeld: contractenrecht, productaansprakelijkheid, zoals deel 1 uitgebreid beschreef. De grens naar het strafrecht verschuift zodra er meer is dan een fout: opzet, criminele nalatigheid, of gevaar voor mensenlevens dat bewust werd genomen. Vier categorieën zijn daarbij relevant. Dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld, wanneer een maker weet van een kritiek gebrek en dit bewust niet herstelt of meldt. Opzettelijke misleiding en fraude, wanneer gebreken worden verzwegen voor financieel gewin of rapportages worden vervalst. Computercriminaliteit, wanneer een systeem doelbewust onbevoegde toegang tot gegevens verschaft of faciliteert. En het onderdrukken van bewijs, het vernietigen van interne testrapporten om ontdekking te voorkomen.
Geen van deze categorieën is in Europa ooit toegepast op een AI-taalmodel met dodelijke afloop. Wat er wel is, is een zeer recent Nederlands precedent dat vrijwel exact laat zien hoe zo'n zaak in de praktijk uitpakt.
De Stint-zaak
Op 13 februari 2026 deed de rechtbank Oost-Brabant uitspraak in de strafzaak tegen de twee ondernemers achter de Stint, de elektrische bolderkar die in 2018 op een spoorwegovergang in Oss door een trein werd geschept, met vier dode kinderen tot gevolg. Het Openbaar Ministerie eiste 5 jaar en 4 maanden cel en verweet de ondernemers dat zij een schadelijk product op de markt hadden gebracht terwijl zij de gevaren kenden of hadden moeten kennen.
De rechtbank sprak beide ondernemers vrij van dat hoofdverwijt. Niet omdat de Stint veilig was: de rechtbank overwoog uitdrukkelijk dat de ondernemers "andere en betere ontwerpkeuzes hadden kunnen maken en dat de Stint veiliger had kunnen en moeten zijn." Maar de vraag die de strafrechter moest beantwoorden, was niet of er betere keuzes mogelijk waren, maar of de ondernemers opzettelijk een product op de markt hadden gebracht waarvan zij wisten dat het gevaar opleverde. Dat achtte de rechtbank niet bewezen. Tegelijk werden beide ondernemers wel schuldig bevonden aan valsheid in geschrifte, voor een e-mail en verklaringen die zij aan het ministerie stuurden om de Stint als "bijzondere bromfiets" aangewezen te krijgen, zij het zonder dat daarvoor straf werd opgelegd. Het OM noemde de uitspraak teleurstellend en tekende hoger beroep aan.
Deze uitkomst is voor dit deel meer dan een illustratie. Zij is bijna een blauwdruk. Precies hetzelfde patroon is te verwachten bij een hypothetische Nederlandse zaak tegen een AI-aanbieder: het hoofdverwijt, het opzettelijk op de markt brengen van een gevaarlijk product, loopt vast op de opzeteis, terwijl een documentgerelateerd delict, zoals valsheid in geschrifte, mogelijk wel bewijsbaar blijft. Waarom dat zo werkt, vergt een blik in hoe de Hoge Raad opzet vaststelt.
Voorwaardelijk opzet
De kern van vrijwel elk strafrechtelijk verwijt in dit dossier draait om voorwaardelijk opzet, de juridische ondergrens van opzet. De formule van de Hoge Raad, geformuleerd in de zogeheten HIV-arresten, luidt dat voorwaardelijk opzet aanwezig is wanneer de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden. Twee bestanddelen zijn daarvoor vereist: wetenschap van die aanmerkelijke kans, en de bewuste aanvaarding daarvan.
Precies op het eerste bestanddeel loopt de bewijsvoering doorgaans vast, en de Hoge Raad is daar consequent streng in. Redeneringen die neerkomen op "had kunnen en moeten weten" volstaan niet voor opzet; zij horen bij schuld, een lichtere en vaak niet strafbare of veel milder bestrafte categorie. Wie alleen kan aantonen dat een verdachte iets had behoren te weten, bewijst daarmee nog niet dat hij het daadwerkelijk wist. De Hoge Raad heeft lagere rechters op dit punt herhaaldelijk gecasseerd, ook in spraakmakende fraudezaken zoals de zaak tegen voormalige Ahold-bestuurders, waar een rechtbank ten onrechte oordeelde dat opzet vaststond omdat de verdachte "had moeten ingrijpen."
Dit verklaart de uitkomst in de Stint-zaak. De rechtbank kon vaststellen dat betere ontwerpkeuzes mogelijk waren geweest, maar niet dat de ondernemers daadwerkelijk wisten en aanvaardden dat het specifieke gevaar zich zou verwezenlijken. Voor een hypothetische Nederlandse zaak tegen een AI-aanbieder ligt hier een belangrijke nuance, die het scenario van de Stint-zaak onderscheidt. In de Tumbler Ridge-casus uit deel 1 had OpenAI zelf, via het eigen moderatiesysteem, een risico gedetecteerd en het account geblokkeerd. Dat is geen "had moeten weten"-situatie maar mogelijk wel degelijk feitelijke wetenschap, precies het bestanddeel waarop de Stint-zaak strandde. Of die wetenschap ook de bewuste aanvaarding van het specifieke gevolg dekt, is een tweede, aparte horde, en een aanmerkelijk hogere.
Welke delicten concreet in beeld komen
Vier bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht zijn relevant, elk met een eigen bewijsprofiel.
Dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld, de artikelen 307 en 308 Sr, vereisen geen opzet maar wel grove, onvoorzichtige nalatigheid, een lagere drempel dan bij het hoofdverwijt in de Stint-zaak. Toch bleek ook deze drempel daar niet gehaald voor het zwaarste verwijt; de rechtbank onderscheidde uitdrukkelijk tussen wat beter had gekund en wat strafrechtelijk verwijtbaar was.
Computervredebreuk, artikel 138ab Sr, stelt strafbaar wie opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk, door een beveiliging te doorbreken of met een valse sleutel of hoedanigheid toegang te verwerven. Een recente, goed gedocumenteerde toepassing is een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van januari 2025, waarin verdachten met gestolen bankgegevens inlogden op de bankomgeving van slachtoffers en daarvoor tot 18 maanden onvoorwaardelijke celstraf kregen. Die zaak leent zich echter niet één op één als precedent voor een AI-scenario: de rollen liggen omgekeerd. Bij een kwetsbaarheid zoals de DNS-exfiltratielek die deel 1 beschreef, is niet OpenAI degene die ergens binnendringt, maar eerder een kwaadwillende gebruiker die de kwetsbaarheid misbruikt om bij anderen binnen te dringen. OpenAI's eigen strafrechtelijke blootstelling zou hier zijdelings liggen, als medeplichtigheid of, waarschijnlijker, helemaal niet strafrechtelijk maar civielrechtelijk: deel 1 beschreef al dat het niet tijdig verhelpen van een bekende kwetsbaarheid onder de herziene productaansprakelijkheidsrichtlijn een zelfstandige gebrekstrigger vormt. Alleen bij aantoonbaar bewuste, verholen nalatigheid, het welbewust laten voortbestaan van een kwetsbaarheid ondanks kennis van misbruik, zou een strafrechtelijke component in beeld kunnen komen.
Oplichting en valsheid in geschrifte, de artikelen 326 en 225 Sr, zijn de bepalingen waarop de Stint-zaak wel tot een bewezenverklaring kwam. Artikel 225 Sr wordt in de strafrechtpraktijk een kapstokbepaling genoemd, breed toepasbaar op elk geschrift met bewijsbestemming, inclusief digitale bestanden. Relevant is dat de Hoge Raad voor dit delict weliswaar minder een expliciet bewijs van opzet eist dan bij andere delicten, het valselijk opmaken zelf omvat het daarop gerichte opzet, maar dat ook hier geldt dat het opzet mede gericht moet zijn op de onjuiste inhoud, en dat zuiver nalatig of onzorgvuldig handelen niet volstaat.
Het onderdrukken van bewijs, artikel 189 Sr, ziet op het vernietigen van interne stukken om ontdekking te voorkomen. Dit delict is in de context van dit dossier vooral relevant als stok achter de deur: het risico dat interne documenten, zoals moderatielogs of veiligheidsrapporten, na een incident worden gewist, voegt een aparte strafrechtelijke laag toe boven op wat er in die documenten zelf stond.
Artikel 51 Sr: de bestuurder persoonlijk
Waar het Nederlandse strafrecht zich onderscheidt van het civiele recht, is in de mogelijkheid om niet alleen de rechtspersoon maar ook de bestuurder persoonlijk te vervolgen, via de figuur van het feitelijk leidinggeven in artikel 51 lid 2 Sr. Deze figuur is wat juristen een deelneming sui generis noemen: een aparte rechtsfiguur die pas in beeld komt nadat is vastgesteld dat de rechtspersoon zelf een strafbaar feit heeft begaan. De bestuurder wordt dan aansprakelijk gehouden voor het daadwerkelijk leiding geven aan die verboden gedraging, via actieve of passieve betrokkenheid.
Bij passieve betrokkenheid, het nalaten in te grijpen terwijl men daartoe wel bevoegd en gehouden was, ligt de bewijslast hoog. De Hoge Raad accepteert niet zomaar dat een bestuurder wist; er moet sprake zijn van wat in de rechtspraak "evident nalaten" wordt genoemd, het bewust achterwege laten van maatregelen terwijl daar alle aanleiding en gelegenheid voor bestond. Een enkele algemene verantwoordelijkheid, zoals toezichthoudende taken binnen een bedrijf, volstaat niet.
Dit levert een interessant structureel contrast op met wat er in Florida gebeurt. De staat probeert Sam Altman persoonlijk aansprakelijk te houden via een civiele, consumentenrechtelijke route, met een lagere bewijsstandaard dan het strafrecht kent. Een Nederlandse equivalent zou een geheel andere weg bewandelen: niet via het civiele consumentenrecht, maar via het strafrecht zelf, met artikel 51 Sr als instrument om niet alleen de rechtspersoon maar ook de bestuurder in persoon aan te spreken, zij het onder een aanmerkelijk zwaardere bewijslast dan Florida hanteert. Twee wegen naar eenzelfde bestemming, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder, met een fundamenteel verschillende bewijsdrempel.
B2B en B2C smelten samen in het strafrecht
Civielrechtelijk verschilt de positie van een consument sterk van die van een zakelijke afnemer. Een bedrijf dat ChatGPT via een zakelijk contract inzet, kan te maken hebben met exoneratieclausules die aansprakelijkheid voor softwarefouten grotendeels uitsluiten, zoals ook beschermheren.nl in haar advies aan organisaties benadrukt: standaardvoorwaarden van AI-leveranciers beperken aansprakelijkheid vaak tot de betaalde licentiekosten. In het strafrecht speelt dat onderscheid geen rol. Het strafrecht beschermt de openbare orde en de fysieke integriteit van personen, ongeacht de contractvorm waaronder een product is geleverd. Een contractueel beding waarin staat dat een leverancier niet aansprakelijk is voor softwarefouten, is strafrechtelijk waardeloos als de directie wist dat de software een gevaarlijke fout bevatte.
Dat heeft een keerzijde die relevant is voor Nederlandse organisaties die zelf AI inzetten, niet alleen voor OpenAI als aanbieder. De EU AI Act legt verplichtingen op aan zowel de provider als de deployer, de organisatie die een AI-systeem in gebruik neemt. Een Nederlands bedrijf dat weet dat het ingezette AI-systeem risicovol gedrag vertoont, en dat welbewust laat voortbestaan zonder in te grijpen, zou in theorie zelf onder dezelfde toetsing kunnen vallen als hierboven voor OpenAI is geschetst, met de eigen bestuurder als potentieel doelwit van artikel 51 Sr. Dit is wederom een exercitie, geen vaststaand oordeel, maar het verklaart waarom leveranciersmanagement, in de woorden van beschermheren.nl, "bij uitstek een organisatorische maatregel is die veel schade kan voorkomen": het raakt niet alleen civiele blootstelling, maar in het uiterste geval ook strafrechtelijke.
Internationale precedenten
Zuiver op software gerichte strafzaken met dodelijke afloop zijn in Europa nog zeldzaam, maar twee internationale zaken bieden een blauwdruk voor wanneer opzet wél bewijsbaar bleek. Bij het Volkswagen-emissieschandaal programmeerden ingenieurs software specifiek om emissietesten te manipuleren, wat in Duitsland en de Verenigde Staten tot strafrechtelijke vervolging van topbestuurders en ingenieurs leidde wegens fraude en georganiseerde misleiding. Het verschil met de Stint-zaak en met een hypothetisch AI-scenario is scherp: bij Dieselgate was er direct bewijs van een doelbewust ingebouwde misleidingsfunctie, geen kwestie van onvoldoende zorgvuldigheid maar van een functie die uitsluitend bestond om te bedriegen. Bij Boeing hield het bedrijf kennis over gebreken in het MCAS-systeem van de 737 MAX achter voor de luchtvaartautoriteiten om kosten te besparen, wat na twee fatale crashes leidde tot een schikking met het Amerikaanse ministerie van Justitie ter waarde van miljarden dollars, formeel vastgelegd als een deferred prosecution agreement. Ook hier gaat het om aantoonbaar verzwegen kennis, niet om onvoldoende voorzien risico.
Beide zaken bevestigen het patroon dat ook uit de Stint-zaak en de voorwaardelijk-opzet-jurisprudentie naar voren komt: strafrechtelijke aansprakelijkheid voor software vereist bewijs van daadwerkelijke, verzwegen kennis, niet van onvoldoende zorgvuldigheid. Bij Tumbler Ridge, waar OpenAI het risico zelf detecteerde, ligt dat bewijs mogelijk dichterbij dan in de meeste andere zaken in dit dossier.
Strafvordering als hefboom voor de civiele zaak
Ook als een strafzaak uiteindelijk vastloopt op de opzeteis, is zij niet zonder waarde voor de civiele procedure ernaast. Een strafrechtelijk onderzoek beschikt over dwangmiddelen die een civiele procedure niet kent: doorzoekingen, gevorderde uitlevering van interne documenten, verhoren onder dwang. Materiaal dat op die manier boven water komt, kan vervolgens, ook zonder dat het tot een veroordeling leidt, worden ingebracht in de civiele zaak ernaast, waar de bewijsstandaard aanmerkelijk lager ligt.
Dat is precies de structuur die zich in Florida aftekent. Het strafrechtelijk onderzoek van Uthmeier naar de FSU-schietpartij loopt naast, en deels los van, de civiele staatsvordering. Zelfs als dat onderzoek nooit tot een tenlastelegging leidt, om dezelfde reden waarom de Stint-zaak op het hoofdverwijt strandde, kan het onderweg bewijsmateriaal opleveren dat de civiele zaak versterkt. Dat is dezelfde dynamiek als bij Simpson en Holmes: verschillende bewijsstandaarden, verschillende uitkomsten, met bewijs dat soms van de ene naar de andere procedure oversteekt.
Overwegingen
Rechtsmacht: kan een Amerikaans bedrijf hier vervolgd worden
Een strafrechtelijk onderzoek naar een in de Verenigde Staten gevestigd bedrijf roept een aparte vraag op die in dit deel nog onbesproken bleef: heeft de Nederlandse strafrechter hier überhaupt rechtsmacht over. Nederlands strafrecht kent rechtsmacht op grond van de plaats van het delict; als de gevolgen van een gebrekkig AI-systeem zich in Nederland voordoen, bijvoorbeeld doordat een Nederlandse gebruiker slachtoffer wordt, kan dat in beginsel voldoende grondslag bieden. De praktische horde ligt niet zozeer in de juridische rechtsmacht als wel in de opsporing: getuigen, documenten en verdachten bevinden zich grotendeels in de Verenigde Staten, wat internationale rechtshulp vereist en een onderzoek aanmerkelijk vertraagt.
Het strafrecht als aanvulling op bestuursrechtelijke handhaving
Deel 1 beschreef de AVG-, AI Act- en DSA-boetes als bestuursrechtelijke instrumenten, gehandhaafd door toezichthouders, niet door een officier van justitie. Het strafrecht voegt daar een aparte, zwaardere maar moeilijker te bewijzen laag aan toe. Waar een bestuursrechtelijke boete kan volgen uit objectief vastgestelde overtreding, zonder opzeteis, vereist een strafrechtelijke veroordeling voor de zwaarste delicten juist wel bewijs van daadwerkelijke wetenschap. Dat maakt het strafrecht een instrument met een hoge drempel maar een uniek gevolg dat het bestuursrecht niet kent: persoonlijke, strafrechtelijke aansprakelijkheid van een bestuurder, tot en met een gevangenisstraf.
Andere aanbieders: ook een strafrechtelijke dimensie
De civiele schikkingen van Character.AI en Meta die deel 1 beschreef, kennen voor zover bekend geen parallel strafrechtelijk onderzoek zoals bij OpenAI. Dat maakt de Uthmeier-aanpak vooralsnog uniek in het bredere sectordossier, en onderstreept dat het strafrechtelijk spoor, ook in de Verenigde Staten, eerder uitzondering dan regel is.
Tot slot
ChatGPT is geen rechtssubject en kan niet strafrechtelijk worden vervolgd. OpenAI en Sam Altman mogelijk wel, maar de Stint-zaak laat zien hoe hoog die drempel in de praktijk ligt: het hoofdverwijt, het opzettelijk op de markt brengen van een gevaarlijk product, strandt vrijwel systematisch op de eis van daadwerkelijke wetenschap, terwijl een documentgerelateerd delict als valsheid in geschrifte eerder bewijsbaar blijft. Artikel 51 Sr biedt Nederland een instrument om niet alleen het bedrijf maar ook de bestuurder persoonlijk aan te spreken, een andere weg dan Florida bewandelt met zijn civiele vordering tegen Altman, maar met eenzelfde bestemming en een aanmerkelijk zwaardere bewijslast.
De lessen van Simpson en Holmes blijven daarbij de bruikbaarste vuistregel: een falende strafzaak is geen falende civiele zaak, en een geslaagde strafzaak is geen garantie dat het verwijt dat het dichtst bij fysieke schade ligt, ook het verwijt is dat overeind blijft. Deel 3 van dit drieluik verlaat de rechtszaal en het strafdossier, en kijkt naar wat er in de Nederlandse en Europese praktijk feitelijk al gebeurt, met AI-gerelateerde incidenten die zich hier al hebben voorgedaan, zonder dat een van beide wegen ooit werd ingeslagen.
Deel 1 is eerder verschenen, deel 3 verschijnt spoedig. Gepubliceerde delen kunnen wijzigingen ondergaan. Keer regelmatig terug of houdt onze LinkedIn-pagina in de gaten
Bronnen
Rechtbank Oost-Brabant, uitspraak Stint-zaak, 13 februari 2026.
Hoge Raad, HIV-arresten (NJ 2003/552 en NJ 2003/555), voorwaardelijk opzet.
Hoge Raad, Ahold-zaken, o.m. ECLI:NL:GHAMS:2009:BH1792.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2025:504, 31 januari 2025.
Openbaar Ministerie, toelichting artikel 138ab Sr, om.nl.
Beschermheren.nl, "Wie is aansprakelijk als een AI-systeem een fout maakt in mijn organisatie?", 4 augustus 2026.
Amerikaanse justitiedocumentatie inzake Dieselgate en de Boeing 737 MAX-schikking (deferred prosecution agreement, Amerikaans ministerie van Justitie).
VS v. Elizabeth Holmes, U.S. District Court Northern District of California, vonnis en veroordeling 2022; SEC-schikking maart 2018.